Alyson Annan

Foto: KNHB/Willem Vernes

De Nederlandse hockeysters sloten 2020 af als de nummer één van de wereldranglijst. Onder leiding van bondscoach Alyson Annan won Nederland de laatste zes grote toernooien waaraan het deelnam. Eind vorig jaar verlengde Annan haar contract tot en met het WK van 2022. De komende twee jaar hoopt ze haar zegereeks met Oranje te kunnen voortzetten.

Sinds jouw debuut als bondscoach op 5 december 2015 speelden de hockeydames 115 interlands, werden er 99 wedstrijden gewonnen en zes hoofdprijzen gepakt. Wat is het geheim achter die successen?

“Ha, eigenlijk is er niet echt een geheim. Als coach ben ik heel erg gedreven en ik mag werken met een bijzondere groep speelsters. Het fundament ligt er. We hebben een waanzinnig goede staf, zijn goed op elkaar ingespeeld. Dat alles bij elkaar is denk ik onze grootste kracht.

We hebben vijf jaar de tijd gehad om de dames eigenaarschap te laten krijgen over het spel en het topsporter zijn. Als je dat hebt, dan betekent dat dat je veel meer kan bereiken en behalen. Dat is waar ik van begin af aan voor wilde zorgen. De speelsters staan zo veel anders in het veld, dan wanneer de staf alles voorkauwt.”

Hoe heb je daarvoor gezorgd?

“Dat is niet makkelijk geweest. Het is echt een groeiproces geweest. Vooral in de eerste fase van mijn loopbaan is het niet zo goed gelukt. Toen ik pas net bondscoach was, voelde ik veel druk. In korte tijd moest ik snel presteren.

Vlak voor de Olympische Spelen van Rio in 2016 wilde ik niet veel veranderen. Het voelde alsof ik moest varen op wat er was, wilde niet veel aanpassen. Er was ook wel angst voor verandering zo kort voor zo’n belangrijk toernooi.”

Is dat na de Spelen veranderd?

“Na Rio heb ik echt mijn eigen plan gemaakt. Wat ik precies wilde en hoe ik wilde coachen. Ik zei: ‘als ik dit doe, dan doe ik dat op mijn manier.’ Daardoor kwam er meer rust bij mij, maar uiteindelijk ook in het team.

Ik heb best veel meegemaakt in een korte periode, er gebeurde heel veel achter de schermen. Daardoor heb ik mezelf ook wel verloren. Ik was niet de beste, fitste coach.

Na Rio heb ik echt mijn eigen plan gemaakt. Wat ik precies wilde en hoe ik wilde coachen.

We verloren bij de Spelen de finale op shoot-outs. Als ik daaraan terugdenk, dan denk ik: ‘hoe dan?’. In de halve finale had ik een black-out, waar veel over gesproken werd. Je wordt op dat soort dingen afgerekend, dat doet heel veel met je.”

Wat is de belangrijkste les geweest?

“Het belangrijkste is dat ik fitter van geest moet zijn, beter voorbereid. Maar vooral ook dat ik mijn eigen keuzes maak. Ik moet mijn onderbuik gevoel volgen, dat maakt mij sterk.

In de periode tot Rio deed ik veel zoals het altijd al gedaan werd. Ik had veel meer moeten loslaten, maar hield te veel rekening met anderen. Ik luisterde minder naar mezelf. Nu volg ik mijn gevoel. We varen een koers die ik zelf met mijn staf voorzie. Dat maakt het verschil.”

Maak je als oud-tophockeyster weleens gebruik van je eigen ervaring als speelster?

“Nauwelijks. Als je zelf op hoog niveau hebt gespeeld, wil dat ook niet meteen zeggen dat je een goede coach bent. Een coach is nooit uitgeleerd, je weet bovendien niet automatisch meer dan een speelster.

Veel mensen vinden coachen een makkelijk vak, denken dat ze dat ook zomaar kunnen. Maar wat je ziet op het veld is maar een klein deel.

Nu volg ik mijn gevoel. We varen een koers die ik zelf met mijn staf voorzie. Dat maakt het verschil.

Ik richt me veel op de mens achter de speelsters. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn, je hoeft elkaar niet altijd te begrijpen. Uiteindelijk is het vooral belangrijk dat elke speelster regie neemt over haar eigen loopbaan.

Als coach denk ik ook veel na over hoe ik me als speelster zou voelen in bepaalde situaties, dat wel. Ik leef mee.”

Je hebt als coach ervaring met zowel mannen- als vrouwenploegen. Wat zijn de grootste verschillen?

“De manier van trainen en het spel is niet zo zeer anders. De bal en de stick blijven. Wel was de aanpak richting de spelers anders. Mannen kunnen dingen makkelijker loslaten, waardoor ik misschien toch wel sneller harder optreed tegen een man dan tegen een vrouw. Een man zou ik eerder van het veld sturen.”

Voel je veel druk van buitenaf?

“Gek genoeg niet. Natuurlijk wordt er veel van ons verwacht, maar daar houd ik me niet continu mee bezig. Ik leg meer druk op mezelf, wil het zelf gewoon goed doen. Wat dat betreft kan ik enorm balen na een verloren wedstrijd.

Ik herinner me een wedstrijd van een hele tijd geleden. Die verliep niet bepaald goed en ik zat er toen ik thuiskwam helemaal doorheen. Mijn zoontje was destijds een jaar of vijf en zei: ‘maar mama, het is allemaal niet zo moeilijk’. Hij pakte een tekenbord, tekende wat en zei daarna: ‘pass, pass, schieten en goal.. zo moet het!’.

Als je een tijd geen wedstrijden mag spelen en je grote passie niet mag uitvoeren, ga je het nóg meer missen. En juist dan kan je ook sterker terugkomen.

Eigenlijk is het allemaal zo makkelijk, maar we maken het onszelf vaak zo moeilijk. De kinderen helpen wel met relativeren, haha.”

Over relativeren gesproken.. Hoe relativeer je een jaar als 2020, waarin alles anders liep?

“Ik keek vooral naar de mogelijkheden, naar alles wat we nog wél konden doen. We zijn de nummer één van de wereld en dat blijven we. Deze periode kan ons ook wat opleveren. Als je een tijd geen wedstrijden mag spelen en je grote passie niet mag uitvoeren, ga je het nóg meer missen. En juist dan kan je ook sterker terugkomen. Op die manier hebben we dit jaar ook benaderd.”

Onlangs heb je bijgetekend tot 2022, heb je daarover tijdens de coronaperiode nog lang moeten nadenken?

“Natuurlijk heb ik nagedacht over wat ik zelf wilde na Tokyo. Daar was ik eigenlijk vrij snel uit: ik wil door met deze ploeg. Als coach ben ik nog lang niet uitgeleerd. En ik heb er nog steeds ontzettend veel plezier in.”

Je bent een van de weinige vrouwelijke topcoaches in Nederland, hoe vind je dat eigenlijk?

“Het is ontzettend jammer dat er nog steeds zo weinig vrouwen in de (top)sport werken. In welke functie dan ook. Maar als ik eerlijk ben, vind ik het wel belangrijk dat je goed genoeg moet zijn om in de topsport te werken, dat je de functie niet alleen krijgt omdat je een vrouw bent.

Want een functie krijgen omdat je vrouw bent, daar krijg ik de kriebels van.”