Sportjournalisten terug langs de lijn? Danielle Pinedo vertelt over haar ervaringen

Wekelijks langs de lijn en regelmatig op reis om verslag te doen van grote internationale toernooien. Als sportjournalist weet ik niet beter. 2020 had een prachtig sportjaar moeten worden, met onder andere de Olympische Spelen in de zomer. Maar het coronavirus gooide de afgelopen periode roet in het eten.

Een lange periode waren er helemaal geen wedstrijden. Langzaam kwamen de competities uiteindelijk weer op gang, maar door de nieuwe corona-maatregelen is er inmiddels ook weer veel uitgevallen. Net als eerder dit jaar praat ik erover met mijn collega’s uit de sportjournalistiek.

Deze week sprak ik met Danielle Pinedo, sportjournalist bij het NRC. Tijdens de coronacrisis veranderde er weinig aan haar werkzaamheden. Pinedo richt zich immers voornamelijk op de verhalen achter de sport(er), door middel van achtergrondverhalen, interviews en onderzoeksjournalistiek.

Hoe gaat het met je, Danielle?

Goed, de afgelopen maanden heb ik vooral veel vanuit huis gewerkt. Voor mij is er niet heel veel veranderd. We vergaderen met de redactie veel online en als je naar kantoor wilt, kun je daarvoor intekenen.  

Met wat voor verhalen heb jij je beziggehouden de afgelopen periode?

Ik houd me vooral bezig met de langere human interest verhalen. Het liefst combineer ik het (sport)nieuws met het verhaal achter de sporter. Van langere interviews tot de onderzoeksjournalistiek: ik vind het beide leuk.

In de afgelopen periode maakte ik verhalen over onder andere Edgar Davids, Daphne Koster en Esther Vergeer. Met hen heb ik tijdens het interview een lange wandeling gemaakt of buiten gezeten.

Samen met mijn collega Steven Verseput heb ik daarnaast een groot verhaal over Max Verstappen gemaakt, waarvoor we dertig mensen uit zijn omgeving hebben geïnterviewd. Daar hebben we weken de tijd voor genomen. Deze zomer werkte ik daarnaast met collega Enzo van Steenbergen aan een verhaal en een podcast over de eerste donkere voetballers die in de jaren vijftig uit Suriname naar Nederland kwamen.

Er wordt vaak gezegd dat vooral vrouwelijke sportjournalisten zich richten op het maken van human interest verhalen, hoe kijk jij daarnaar?

Ha, ik vind dat een cliché. Waarom zou alleen een vrouw invoelende (achtergrond)verhalen goed kunnen schrijven, vraag ik me dan af. Ik denk dat mannen dat ook prima kunnen. Dat merk ik bij ons op de redactie ook. Een aantal mannelijke collega’s is super bedreven in het maken van dat soort verhalen.

Zorgt de corona-periode ervoor dat er meer tijd vrijkomt voor achtergrondverhalen en onderzoeksjournalistiek?

Ik denk niet dat die kant van de journalistiek zich door corona meer opdringt, maar we krijgen in deze periode wel meer de mogelijkheid om in bepaalde onderwerpen te duiken. Omdat er niet veel wedstrijden zijn, gaan we op zoek naar andere verhalen. Dat geeft ons ook de kans om meer kwaliteiten te ontwikkelen, even te ontsnappen uit het ritme met alle wedstrijden.

Bij het NRC gaan we bovendien ook steeds meer de kant van de onderzoeksjournalistiek op. We richten ons steeds minder op alleen maar het verslaan van een sportwedstrijd.

Vorig jaar kwam je na een pauze van ruim negen jaar terug op de sportredactie van het NRC, hoe is dat gelopen?

Tussen 2005 en 2010 heb ik op de sportredactie gewerkt. Daarna ben ik naar de binnenlandredactie gegaan: ik wilde wat anders na vijf jaar sport. Vanuit de binnenlandredactie heb ik toen ook een tijd het Koninklijk Huis gevolgd.

Rond 2014 werd ik ernstig ziek. Door eierstokkanker lag ik er ruim anderhalf jaar uit. Dat was een hele heftige periode. Toen ik uiteindelijk mijn werk weer kon en mocht oppakken, startte ik bij de zaterdagredactie.

Na twee jaar begon de sport toch weer te kriebelen en ging ik terug naar mijn oude liefde.

Wat waren de grootste veranderingen toen je weer terugkwam?

In mijn eerste periode bij de sportredactie deed ik voornamelijk verslag van toernooien. Dan zat ik bijvoorbeeld zeventien dagen bij Wimbledon of Roland Garros en maakte ik dagelijks (wedstrijd)verhalen. Ook ging ik onder andere naar het EK-vrouwenvoetbal in Finland en de wereldruiterspelen in Kentucky. Verslag doen van wedstrijden vond ik heel spannend en leuk, maar ik merkte langzaam maar zeker ook dat het niet zo mijn ding was.

Tijdens mijn periode op de binnenlandredactie heb ik uiteindelijk een andere kant van mezelf ontwikkeld: ik maakte meer achtergrondverhalen, ging meer de onderzoekende kant op.

Bij de sportredactie is dat inmiddels ook de lijn. Mede daardoor besloot ik dat ik wel weer terug wilde.

Heb je de sportredactie ook gemist?

Zeker weten. Ik miste het vrije gevoel. De gekke uren waarop ik soms werkte: dat past echt bij mij. Wel moet ik er echt voor waken dat ik te veel doe en alleen maar met werk bezig ben.

Fotocredit: Bernadette de By

Hoe zorg je voor de juiste balans?

Pfoe, dat is lastig geweest. Toen ik ziek was, merkte ik dat ik indirect nog steeds veel aan mijn werk dacht. Ik stond altijd aan. Zo zat ik op een gegeven moment in de wachtkamer van het ziekenhuis, vlak nadat ik te horen had gekregen dat ik een erfelijke vorm van kanker had. In het ziekenhuis kwam ik Phillip Cocu tegen en wilde ik bijna mijn chef bellen.

Toen besefte ik pas dat ik moeite had om me niet bezig te houden met datgene wat mijn leven altijd heeft beheerst. Door mijn ziekte werd ik plotseling tot rust gedwongen. Dat heeft er onder andere voor gezorgd dat ik nu een betere balans tussen werk en ontspanning heb gevonden. Toen ik ziek was vroeg ik me af wat er overbleef als ik niet kon werken.

Daarover begon ik te schrijven. Eerst in mijn dagboek, later in brieven naar AD-verslaggever Bart van Eldert, die werd getroffen door een zeldzame vorm van leukemie. Die briefuitwisselingen zijn uiteindelijk het boek ‘Beter worden is niet voor watjes’ geworden.

Zodoende bleef je, ondanks je ziekte, toch nog schrijven…

Door het schrijven van die brieven probeerde ik ook het een en ander te verwerken. Het was een proces waarin ik veel heb geleerd. Zo kwam ik tot het besef dat ik meer rust in moet bouwen, dat ik niet alleen maar met werk bezig moet zijn. De manier van werken die ik nu heb, met veel langere verhalen en onderzoeken, beschermt me tegen de valkuil die ik vroeger had. Ik hoef niet steeds maar door, door, door.

Ben je – door wat je hebt meegemaakt – ook voorzichtiger in deze coronaperiode?

Ja, dat wel. Ik weet niet in hoeverre ik meer risico loop, maar ik probeer wel zo voorzichtig mogelijk te doen. Interviews doe ik – afhankelijk van het onderwerp – bijvoorbeeld het liefste in de buitenlucht of digitaal. Zodoende probeer ik toch continu mooie verhalen te maken, waarbij de gezondheid voorop staat.