Sandra Meeuwsen: ‘Leren van de schaduwkanten van de sport’

Fotocredit: Robert Zwart

Hoewel er vanwege de coronacrisis de afgelopen maanden maar weinig grote sporttoernooien plaatsvonden, werd er des te meer gesproken over sport. Onder andere over het missen van de wekelijkse competities, de jarenlange misstanden in de turnsport, over voetballers die een boekje opendeden over mentale problemen en over hersenletsel als het gevolg van sport. Het zijn de schaduwkanten waarvoor sportfilosofe Sandra Meeuwsen met haar proefschrift, Kritiek van de Sportieve Rede, juist aandacht vraagt.  

Heeft je proefschrift jouw kijk op sport veranderd?

Ja, zeker. Ik kijk nu wel met een andere bril naar sport. Natuurlijk kan ik er nog steeds enorm van genieten, hoor. Door het zelf te doen, maar ook als ik mijn kinderen zie sporten. Ik zie nog steeds de kracht van sport, maar we moeten toegeven dat er ook ontzettend veel gedoe is. Die twee kanten, het positieve en het negatieve, staan op een rare manier met elkaar in tegenspraak.

Als we alleen maar de mooie kanten van de sport blijven accentueren, begrijpen we niet goed wat sport is en vergeten we uiteindelijk waar de misstanden in de sport vandaan komen. Het is tijd te erkennen dat de keerzijde juist door de sport zelf wordt geproduceerd.

Hoe ben je op het idee gekomen om juist over de schaduwkanten van sport een proefschrift te schrijven?

Ik ben in de jaren negentig afgestudeerd als filosoof. Daarna heb ik twaalf jaar bij NOC*NSF gewerkt. Daar heb ik van alles gedaan. Alle thema’s heb ik beetgehad: topsport, talentontwikkeling, accommodaties, opleidingen enzovoorts. Het gaf een fantastisch inkijkje in de Nederlandse sport en de krachten die daarin werkzaam zijn.

Maar er is ook een keerzijde. Er gaan dingen mis op het gebied van doping, geweld, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag.

Daar wilde ik op een hoger abstractieniveau naar kijken. Niet door empirisch onderzoek te doen, maar juist door te kijken wat deze dynamiek eigenlijk zegt over de sport. Na tien jaar broeden en zoeken was de tijd rijp.

Na tien jaar besloot je om er écht iets mee te doen?

Het zat al heel lang in mijn hoofd, maar uiteindelijk is het onderzoek zelf een proces van jaren geweest. Vier jaar geleden besloot ik dat ik als filosoof op dit onderwerp wilde promoveren. Daarmee wilde ik ook een impuls geven aan de sportfilosofie in Nederland.

Dit besluit had ook te maken met het feit dat ik zelf in de tussentijd wat afstand had genomen van de apenrots binnen de sport. Bovendien merkte ik dat er een aanzwellende bewijslast kwam over de keerzijde van sport. De Russische dopingkwestie kwam aan het licht, net als de eerste gegevens over seksueel misbruik en matchfixing.

Voor mij gaf dat de doorslag om te zeggen: hier wil ik mijn licht over laten schijnen.

Sport heeft gewoon twee kanten. En ik denk dat we juist meer kunnen leren van de keerzijde van de sport, dan enkel over de kracht van de sport.

Wat was je vertrekpunt?

Vooral het bestaan van de schaduwkant. Die wilde ik niet negeren of bagatelliseren, maar juist insluiten. Vaak wordt er van negatieve zaken in de sport gezegd: ‘die komen van buiten’. Het worden incidenten genoemd. Maar dat is echt te makkelijk. Ook de keerzijde hoort bij de sport. Alleen zo komen we verder.

Sport heeft gewoon twee kanten. En ik denk dat we juist meer kunnen leren van de keerzijde van de sport, dan enkel over de kracht van de sport.

Wat zijn voorbeelden van dingen die we kunnen leren?

Dat begint bij inzicht krijgen in het waarom. Want waarom sluiten we de keerzijde uit en gaan er dingen mis? Volgens mij heeft dat met elkaar te maken. Er moet eerst meer begrip komen voor die dubbele kant van sport. Dat helpt bestaande programma’s om dingen aan te pakken en te verbeteren.

De huidige situatie, rondom het coronavirus, heeft de inhoud van mijn proefschrift alleen maar bevestigd. Voor de sport is het een hele moeilijke tijd, waarin ook de dingen waar we moeite mee hebben naar voren komen. De dingen die we liever niet zien. Maar juist datgene mag benoemd worden. Dat is een beweging die nu nodig is. We moeten het beest in de bek kijken, heb ik het ergens genoemd.

Op welke manier moet dat gebeuren?

Een collega van mij benoemde dat heel mooi. Die zei: ‘er is nu meer ethische ruimte nodig’. Een ruimte waarin we de goede elementen en de lelijke kant van de sport weer met elkaar gaan verbinden. Laten we daarover met elkaar in gesprek gaan.

Zo’n hoorzitting in het misbruikdossier rondom het turnen is als je het mij vraagt een goede stap voorwaarts. Je moet zoeken naar erkenning, aansluiting, doorontwikkeling. En voorbijkomen aan het negeren, beschuldigen en uitsluiten van mensen.

Dingen waar we het moeilijk mee hebben, zijn juist een bron van herstel. Het is net als een blessure: als je er niet naar kijkt en als je hem niet verzorgt, wordt het erger. Het herstel start waar het fout gaat.

We sussen ons geweten en nemen heel wat voor lief omdat we gek zijn van het spelletje, daarmee houden we de huidige situatie in stand. Er valt echt nog een wereld te winnen.

Hoe zie je jouw rol daarin?

Ik voel me, samen met anderen, een soort pionier. Ik wil kijken waar mijn studie kan worden ingebed. Ben hierover in contact met de Erasmus Universiteit, het ministerie van VWS, diverse bonden en gemeenten, maar ook met NOC*NSF. De respons geeft aan dat de tijd rijp is. Er zijn allerlei kansen om deze invalshoek nu uit te werken.

Uiteindelijk wil ik naar een programma waarin we werken aan een kansrijke toekomst voor de sport, door aan de slag te gaan met het dubbele karakter. Zoals Freud zei: het kwaad zal nooit helemaal uit de wereld verdwijnen, maar dat ontslaat ons niet van de plicht een nieuw evenwicht te vinden.

We sussen ons geweten en nemen heel wat voor lief omdat we gek zijn van het spelletje, daarmee houden we de huidige situatie in stand. Er valt echt nog een wereld te winnen.

Welke rol hebben de sporters daar zelf in?

Sporters zijn de kurk waarop de sport als sector drijft. Er komen steeds nieuwe generaties. Die hebben allemaal een frisse, nieuwe kijk op de organisatie van de sport. Nederland verandert, daarmee de sport ook. Dat is geweldig en dat moeten we omarmen.