Ina Janssen

Binnen de topsport kunnen de kleinste dingen het verschil maken. Iemand die daar alles van weet is Ina Janssen, Sport biomechanicus bij Sportcentrum Papendal, thuisbasis van TeamNL. Dagelijks zet ze zich in om topsporters en coaches sportwetenschappelijk te ondersteunen. Na haar promotieonderzoek en Masterstudie in Australië is ze in Nederland terecht gekomen en werkt ze inmiddels alweer acht jaar met veel plezier op Papendal.

Hoe is het met je, Ina?

Het gaat goed, het belangrijkste is dat we gezond zijn en ook in mijn omgeving iedereen gezond is gebleven de afgelopen maanden. Het was even een uitdaging soms in combinatie met thuiswerken en dat de kinderen ook thuis waren. Maar ergens was het ook fijn om het iets rustiger te hebben en veel thuis te zijn. Zoals veel jonge moeders met kinderen ben je buiten je werk continu bezig met ze naar school of zwemles brengen of bij vriendjes laten spelen en weer ophalen, dus dat was stiekem best even fijn.

Mijn ouders wonen in Antwerpen, dat was wel lastig want we konden er niet meer naar toe. En mijn schoonfamilie woont in Australië dus ze bezoeken, mochten ze ziek worden, dat is niet mogelijk, maar gelukkig is iedereen gezond gebleven en hopelijk blijft dat zo.

Zijn jouw werkzaamheden veranderd sinds de uitbraak van het coronavirus?

De zomer is normaal onze ‘rust’ periode, maar nu bleven alle sporters in Nederland want alles werd natuurlijk afgelast. We mochten gelukkig na zes weken thuiswerken wel weer fysiek aanwezig zijn op Papendal. Uiteraard houden we rekening met alle maatregelen en dragen we inmiddels ook continu mondkapjes.

Tijdens de lockdown werd er door de internationale wetenschap community veel online georganiseerd. Er werden zelfs zoveel webinars gehouden dat ik ze niet eens kon bijhouden om allemaal te volgen. Ook mocht ik zelf een aantal keer spreken. Allemaal wel vanuit thuis, dus we konden echt wel doorwerken maar moesten ons wat meer aanpassen.

Jouw man is dus Australisch en jij komt oorspronkelijk uit België en nu zijn jullie samen in Nederland beland, hoe is dat zo gekomen?

Ik was zelf een expatkind, dus ik ben niet echt opgegroeid in België en heb altijd op internationale scholen gezeten. Omdat ik zoveel heb moeten reizen en verhuizen was er altijd één ding constant, dat was sport. Dus de keuze om in de sport te gaan werken was snel gemaakt. Ik heb lang gehockeyd, alleen had ik ook veel last van blessures. Daardoor werd ik getriggerd om bewegingswetenschappen te gaan studeren, richting blessurepreventie en biomechanica. Na mijn studie ben ik naar Australië gegaan voor mijn Master en aansluitend mijn promotieonderzoek.

Op het Australische sportinstituut heb ik mijn man leren kennen. Hij kreeg een aanbieding om in Amsterdam te gaan werken. Dat is inmiddels acht jaar geleden en we wonen hier nog steeds. We hebben ook echt twee blonde kinderen met een zwaar Hollands accent dus dat is wel grappig. En het is natuurlijk fijn dat mijn ouders nu weer op rijafstand wonen.

Inmiddels werk je alweer acht jaar op Papendal, dat bevalt dus goed?

Zeker! Ik heb mijn sollicitatiegesprek nog gehad in Londen tijdens de Olympische Spelen, dat was heel uniek. We hebben in die tijd met bewegingswetenschappers een Sportslab opgezet, dat echt gericht is op wat we noemen embedded scientists. We zijn de link tussen wat er gebeurt op universiteiten, tijdens onderzoek en wat er uiteindelijk in de sport terecht komt.

Nederland doet het heel goed op universiteitsniveau en op het gebied van ontwikkeling en innovaties, maar er was nog een drempel met wat er vanuit daar terugkomt naar de sport. Dat doen ze in Australië al heel lang goed, daarom ben ik daar toen ook gaan studeren.

Wat is jullie voornaamste taak?

Eigenlijk om de brug te slaan tussen universiteiten en sporters en coaches. Dagelijks help ik sporters en coaches met testen en meten. Ik ben zelf gespecialiseerd in biomechanica, dus alles wat te maken heeft met de beweging van het lichaam. Dit resulteert in dat sporters bijvoorbeeld hoger kunnen springen of sneller kunnen fietsen, maar ook om blessures te vermeiden. Een voorste kruisband blessure is binnen het handbal een hele zware blessure. We weten dat dit te maken heeft met de techniek, dus daar gaan we dan mee aan de slag in samenwerking met de fysieke trainers en fysiotherapeuten.

Zijn er veel vrouwen binnen jouw werkveld of zie je met name veel mannen om je heen?

Dat is heel interessant want binnen de studie is het echt 50/50. Maar daarna merken we dat er weinig vrouwen daadwerkelijk aan de slag gaan binnen het werkveld. Heel lang was ik de enige vrouwelijke wetenschapper op Papendal, inmiddels zijn we met twee vrouwen en vijf mannen. Dat terwijl er net zoveel vrouwen als mannen op Papendal trainen. Als je kijkt naar de fysieke trainers zijn dat allemaal mannen en een aantal begeleidingsteams kennen geen vrouwen in hun staf. Daar mag nog wel verandering in komen.

Zet je je daar zelf ook voor in?

Dat probeer ik wel, want er mist nog best veel kennis over de verschillen tussen mannen en vrouwen en daar heerst ook nog steeds een taboe op. Ik geef bijvoorbeeld workshops die te maken hebben met borstblessures, zadelpijn en menstruatieklachten en hoe dat de prestaties kunnen beïnvloeden. Dat is superbelangrijk voor topsporters om mee om te leren gaan, maar veel coaches en zelfs bewegingswetenschappers weten hier weinig van omdat ze dit niet meekrijgen tijdens een studie.

Daarbij komt het gegeven dat zo’n 40% van de jonge meiden bang is om onverwachts ongesteld te worden, maar dat niet tegen een coach durft te vertellen. Dat maakt ze onzeker en komt de prestaties niet ten goede. Het gaat dus niet alleen om het fysieke gedeelte maar ook zeker voor de mentale kant is het belangrijk om per sporter het gesprek aan te gaan en ze erbij te helpen.

Haal je daar ook de meeste energie uit binnen je werkzaamheden om sporters op die manier te helpen?

Ja deels, maar ook als ik zie dat iemand goed presteert krijg ik daar veel energie van. Neem bijvoorbeeld Nikita de Boer, die begin oktober de Londen Marathon wheelen heeft gewonnen en zich plaatste voor de Paralympische Spelen. Dat vind ik dan ook echt super en leef ik helemaal mee, daar doen we het uiteindelijk toch voor.

Ga je ook mee met sporters naar wedstrijden?

Soms ga ik wel mee naar wedstrijden, omdat we dan kunnen zie hoe dingen uitpakken. Maar tegelijkertijd kunnen we op dat moment ook niks meer aanpassen. Als ik niet mee kan dan wordt de prestatie vaak gefilmd zodat ik het op Papendal kan analyseren.

Het coronavirus heeft op iedereen invloed natuurlijk, maar wat merk je bij de sporters qua aanpassingen?

We zien wel wat blessures of andere type blessures dan normaal, maar met name raakt het sporters mentaal. Er zijn een aantal sporters door de hele situatie de motivatie kwijt. Omdat ze natuurlijk voor lange tijd geen wedstrijden hebben en daardoor het gevoel krijgen; ‘waar doe ik het allemaal voor’? Ook zijn er al een paar sporters gestopt die het plan hadden om pas na de Olympische Spelen te stoppen. Maar die kunnen niet nog een jaar doorgaan, of omdat het fysiek niet mogelijk is of om bijvoorbeeld de privé situatie.

Je werkt ook veel met Paralympische sporters, een hele andere uitdaging?

Ja dat klopt. Het mooiste van Papendal is dat alle sporters door elkaar trainen, zowel de Olympische- als Paralympische en ze maken gebruik van dezelfde faciliteiten. Daar zijn wij als land echt uniek in.

Het werken met Paralympische sporters is heel uitdagend en interessant. Je leest niet in de literatuur wat je moet doen. Dus als ik met een parawielrenner aan het werk ben, kan ik niet even zoeken op; wat is beste positie voor een wielrenner zonder linker onderbeen? Dat maakt het werk juist leuk en uitdagend.

Het is een hele dankbare en enthousiaste groep om mee te werken. En ik vind het heel indrukwekkend om te zien wat ze nog kunnen en waar ze voor willen gaan ondanks de tegenslagen die ze hebben gehad. De coaches van die programma’s zijn ook leuk om mee te werken, ze staan echt overal voor open en als er iets niet lukt dan gaan we iets anders proberen.


Hoe reageren coaches over het algemeen op jouw aanbevelingen?

Wij werken echt coach gestuurd, dus de coach bepaalt wat wij wel en niet doen. Daarin merk ik nog wel een groot onderscheid tussen Nederland en Australië. Daar is de wetenschap een groot onderdeel van de coachopleiding, hier vaak nog niet.

Toen ik acht jaar geleden begon, hadden de meeste coaches nog nooit contact gehad met een sportwetenschapper. We zijn daarom ook kleinschalig begonnen met vragen als ’Wat heb je nodig en waar kunnen we bij helpen’? Inmiddels zijn we natuurlijk jaren verder en hebben we samen grote stappen gemaakt. Er is door NOC*NSF ook veel geïnvesteerd om ons werk zo goed mogelijk en in goed overleg uit te kunnen voeren.

Haal je ook veel kennis uit de verschillende typen sporten die je dan weer op een andere sport kunt toepassen?

Jazeker. Voor mijn promotieonderzoek in het volleybal was ik bezig met de jumper’s knie, een peesaanhechtingsprobleem aan de onderzijde van de knieschijf. Maar niet alleen volleyballers hebben daar last van ook binnen handbal en BMX zien we het veel voorkomen. Dan zie je dus dat er, ondanks dat het echt andere sporten zijn, er toch ook veel overlap kan zijn. Onderling kunnen we op die manier veel informatie met elkaar uitwisselen en elkaar versterken.

Wist je bijvoorbeeld dat veel van onze beste baanwielrenners zijn gestart met BMX? Doordat een bepaalde blessure BMX niet meer mogelijk maakte, hebben ze alsnog een grote carrière binnen het baanwielrennen weten te bereiken. Daar zijn we in Nederland ook wel bijzonder in, als ik dat vertel in andere landen :).

BMX is natuurlijk een relatief jonge sport, maakt dat jouw werk dan extra moeilijk?

In 2008 stond BMX voor het eerst op het Olympische programma, dus het is inderdaad nog een jonge sport. Niemand weet nog wat het beste is, daar zijn nog te weinig onderzoeken naar gedaan of resultaten van bekend. Op Papendal hebben we daar de laatste jaren veel tijd in gestopt. Sporters willen natuurlijk geen proefkonijn zijn, maar ze staan zeker open voor ons werk en dat is mooi om te zien. Het geeft natuurlijk ook veel voldoening dat ze het zo goed doen.

Heb je een favoriete sport om mee te werken?

Oh, dat is moeilijk want ik vind de diversiteit juist heel erg leuk. Zo vind ik het handboogschieten ook heel interessant. Ik heb het wel eens geprobeerd en na een kwartier proberen heb je al vier dagen spierpijn haha. In die sport kunnen wij niet zoveel doen op fysiek gebied, maar zit de uitdaging hem nog veel meer in de juiste materialen. Maar kiezen kan ik dus niet en gelukkig hoef ik dat ook niet!


Volg jij ons al op social media? Check it out!

Instagram
Twitter
Facebook
LinkedIn