Marieke van der Plas

De sportwereld is hard geraakt door de corona-crisis, zo ook de gymsport die onder leiding staat van KNGU-directeur Marieke van der Plas. Vrouwen in Sport sprak haar uitgebreid over het omgaan met deze crisissituatie, de vooruitzichten en haar werk als directeur. Maar ook staan we stil bij Marieke’s kijk op de positie van vrouwen in sport. ‘Pas toen ik in de sport ging werken, kwam ik erachter hoe zeer de sport achterloopt in gender diversiteit’.

Als je terugkijkt op de afgelopen maanden, waar lag dan de grootste uitdaging voor jou?

Toch wel bij het grip krijgen op dingen waar je moeilijk invloed op hebt. Ik maak voortdurend de inschatting waar het gepast is om van mezelf te laten horen, want iedereen zit in dezelfde situatie in Nederland. Tegelijkertijd; als ik niks zeg, ga ik ook maar achteroverleunen. Dus waar versnel je, waar laat je je tanden zien en waar neem je even gas terug om te aanschouwen en wacht je even af wat er maatschappelijk gebeurt.

En dan stel ik mezelf vervolgens de vraag; hoe neem ik mijn organisatie erin mee? Kortom, veel overwegingen om te maken, terwijl snel schakelen wel echt nodig is. Ik ben heel erg een gevoelsmens, dus ik doe heel veel op gevoel. Dat werkt op zich heel positief, want je denkt niet te lang na en komt snel in actie. Maar het risico ervan is dat je het niet weloverwogen doet. Dat je niet met iemand afstemt welke mogelijkheden er nog meer zijn.

Waar zie je dat in terug?

Toen ik bijvoorbeeld door had dat kinderen een laag risico vormden in de verspreiding van het virus, ben ik daar harder op gaan pushen. Immers, we wilden graag dat kinderen gewoon weer naar de gymclub konden. Ik trad hierover best fel naar buiten.

Er waren wat collega’s die daar moeite mee hadden. Zij voelden het een beetje als een aanval op het kabinet en dat in een crisistijd. Het was dus lastig om te bepalen; waar doe je goed aan, hoe neem ik mijn organisatie daarin mee en hoe zorg ik ervoor dat ik keuzes maak op zowel gevoel als ratio en hoe laat ik hierin ruimte voor verschillende zienswijzen.

Hoe zorg je ervoor dat de motivatie en betrokkenheid blijft in de organisatie?

Ik merkte in het begin dat er veel betrokkenheid was, maar als je elkaar een tijd niet ziet kruipt toch iedereen een beetje in zijn eigen coconnetje. We hebben nu bijvoorbeeld sociale activiteiten toegevoegd waaraan iedereen kan deelnemen, uiteraard binnen de richtlijnen. Zo zijn we hier op het strand met een clubje een strandwandeling gaan maken. Er zijn ook bedrijven die tot einde van het jaar alles dichthouden, ik zou dan niet weten hoe je de saamhorigheid kunt behouden. Ik probeer wel elkaar, op een veilige manier, te blijven ontmoeten.

Zijn er ook dingen geweest waarvan je nu denkt, dat had ik anders aan moeten pakken?

Op een gegeven moment werd duidelijk dat buitensporten minder risicovol was dan binnensporten. Eigenlijk wisten wij dat al in april, alleen toen was voor ons nog niet helder waarom buiten wel en binnen niet.

Mijn intuïtie zei in eerste instantie; yes, we mogen sporten! Maar toen ik daar langer over na ging denken dacht ik; maar waarom mogen we niet naar binnen met die kinderen? Ik vond dat we daar vragen over moesten stellen en achteraf had ik meer met andere binnensport bonden moeten afstemmen. Maar ook met bijvoorbeeld culture sectoren en het onderwijs.

Nu voelde ik me soms alleen en was ik ook alleen in mijn oproep naar buiten toe om hier aandacht voor te vragen. Terwijl je samen natuurlijk veel sterker staat. VWS praat natuurlijk met NOC*NSF en niet met 76 bonden. Dus ik ben afhankelijk van het geluid dat zij laten horen. Zij kozen voor de strategie ‘praten achter de schermen’ en ik wilde juist naar voren komen. Ik had dat meer met andere partijen samen moeten doen.

Wel heb ik veel geschakeld met Karin van Bijsterveld, voorzitter van NL Actief. Zij kozen ook voor hard naar buiten treden. Het verschil is natuurlijk ook dat zij met name werken met ondernemers die echt in hun voortbestaan bedreigd werden versus de gymnastiek waar het gaat om kinderen en verenigingen en de maatschappelijke schaal.

Gelukkig kwam toen eind juni het goede nieuws dat de clubs 1 juli open mochten in plaats van 1 september, een opluchting?

Ja, dat was natuurlijk super goed nieuws. Ik geloof er ook sterk in dat als we onze mond hadden gehouden het echt 1 september was gebleven. Mijn angst zat er ook in dat 1 september misschien 1 oktober of misschien wel 1 november zou worden. Nu konden we gelukkig nog voor de zomervakantie open en een beetje oefenen met elkaar.

Kijk, ondernemers doen er nu onder financiële druk natuurlijk alles aan om open te kunnen. Wij zijn afhankelijk van vrijwilligers, die het ook spannend vinden. Mij was er echt zoveel mogelijk aan gelegen dat we zo vroeg mogelijk open zouden gaan, zodat we de implementatie tijd hebben om 1 september volledig up en running te zijn.

Ik zag in een poll dat ongeveer 35% van de clubs nog niet openging op 1 juli, waar lag dat aan?

Dat heeft er mee te maken dat er gemeentes waren die eind juni alsnog verrast waren door de openstelling en nog alles moesten organiseren. Dus je ziet een groot verschil tussen de verschillende gemeentes. Veel gemeentes zijn al in mei of juni gaan inventariseren hoe open te gaan. Echt hulde daarvoor, op die manier konden veel clubs op 1 juli meteen de deuren openzetten.

Maar er zijn ook gemeentes die de zomerperiode aangrijpen voor onderhoud. Naar die gemeentes ben ik vrij stevig geweest en daar hebben we ook contact mee opgenomen en ze doorgezet naar NOC*NSF. Zij hebben een brief opgesteld met de boodschap dat het toch echt de bedoeling is dat alles zo snel mogelijk opengaat, hopelijk heeft dat nut voor de leden van die clubs.

Jij koos er bewust voor om zichtbaar je boodschap uit te dragen, niet alleen naar NOC*NSF en VWS maar tegelijkertijd beantwoordde je ook vragen op social media van clubs en leden, dat zie je een directeur niet vaak doen?

Haha, dat klopt. Daar was ook niet altijd iedereen het mee eens intern. Maar het was een crisissituatie en dan vind ik dat ik er ook op die kanalen moet zijn. Op zo’n moment denk ik namelijk altijd; wat verwacht een lid nu van ons? Welke informatie is er benodigd en hoe zorgen we ervoor dat de juiste informatie zo snel mogelijk bij de juiste personen is.

Op de crew-pagina op Facebook, waar leden met elkaar en ons in gesprek kunnen, kwamen veel vragen binnen. Dan kan ik wel denken; ik laat een collega de vragen beantwoorden, maar veel antwoorden moesten toch vanuit mij komen vanwege de crisissituatie waarin we zaten. Ik merkte ook gewoon dat leden het heel erg waardeerde.

Juist hierdoor kreeg ik bovendien zelf ook een goed beeld van wat er speelde en zag ik de tomeloze inzet van al die vrijwillige clubbestuurders en trainers die zo goed mogelijk de sporters bezighouden, online clinics organiseren en bijvoorbeeld buitensporten mogelijk maakten. Dat is gewoon heel mooi om te zien en het minste wat ik dan kan doen is een vraag beantwoorden op Facebook.

Waar ligt nu, naast het opengaan van nog een aantal clubs, de grootste uitdaging?

De wedstrijden. Hoe gaan we om met publiek en met de 1,5 meter-regelgeving. Daardoor worden wedstrijden duurder en heb je minder inkomsten, want er is minder publiek. Dus het businessmodel is een risico. We zullen onze sport zo in moeten richten dat we risico’s minimaliseren. De gymsport is een jurysport, dus we hebben relatief veel wedstrijdorganisatie in de zaal. De vraag die nu voor ons ligt is hoe we dat gaan minimaliseren en organiseren.

Ook ben ik bezig met mogelijke lokale lockdowns die zich kunnen voordoen. Toen bijvoorbeeld ’s-Hertogenbosch al met zulke regels te maken kreeg, doordat aan het begin van de crisis eerst Brabant ‘op slot’ ging, kwamen bij ons vragen binnen als; mogen kinderen uit ’s-Hertogenbosch dan wel deelnemen aan een wedstrijd in Friesland? Dat zijn allerlei scenario’s waar we ons op willen voorbereiden, maar waar ook nog veel uitdagingen liggen.

Wanneer we drie jaar teruggaan in de tijd, voordat je begin bij KNGU, met welk doel of idee ben jij aan deze baan begonnen?

Ik wilde heel graag in de sport werken en met een sport waar ik iets mee had. Ik heb geturnd vroeger en het turnen ook altijd gevolgd. De reden dat ik er ook wilde werken is dat er een Olympische tak is, dat vind ik mooi. En dat het gaat om jonge kinderen. Daar kwam mijn pedagogische achtergrond ook naar voren.

Ik heb vanaf het begin gezegd; hoe organiseer je nu de sport door de ogen van het kind? Ik heb me alleen nooit gerealiseerd dat dat zo’n opgave was. Je bent zo afhankelijk van vrijwilligers, geschiedenis, emotie; er komt zoveel meer bij kijken wanneer je veranderingen wil doorvoeren. Daar heb ik mij vooraf misschien wel op verkeken.

De drive om de sport nog beter te laten aansluiten bij de ontwikkeling van het kind is er nog steeds, dat heeft er vanaf het begin bij mij in gezeten. Als ik nu zie welke inspanning nodig is om het hele systeem van onderop weer op te bouwen, rekening houdend met 150 jaar geschiedenis, dan hoop ik dat we – ondanks dat ik een passant ben – op z’n minst het fundament kunnen neerleggen waar de organisatie weer mee verder kan.

Wat is je tot nu toe het meest bijgebleven?

Heel bijzonder vond ik de trainer/coach van het jaar verkiezing. Dat daar zo massaal op gereageerd is met zulke hartverwarmende reacties over trainers/coaches, tegenover toch wel een negatief beeld wat er helaas nog vaak is binnen de gymsport.

Tijdens de finaleweek kwam net de documentaire ‘Turn!’ uit, waar in dat licht natuurlijk veel over te doen is geweest. Bij de uitreiking, met Chantal als fantastische winnares, kwam die week echt wel even alles samen. Met ruim 200 trainers/coaches die deelnamen aan het congres, eerden we eigenlijk alle 5000 trainers en coaches maar gingen we ook echt het gesprek met elkaar aan. Dat staat me nog wel heel erg blij.

Chantal Vellinga door KNGU uitgeroepen tot trainer/coach van het ...
Marieke samen met winnares Chantal Vellinga. Foto: KNGU

Er zijn niet veel bonden met een vrouwelijke directeur en vrouwelijke voorzitter, hoe kijk jij aan tegen de rol van vrouwen in sport?

Pas toen ik in de sport ging werken, kwam ik erachter hoe zeer de sport achterloopt in gender diversiteit, überhaupt in inclusiviteit.

Dat zeggen mensen ook wel, het gaat niet alleen om gender en dat klopt. Maar we moeten ergens beginnen. Op het moment dat je de hele diversiteit in één keer wil oplossen wordt het te groot en doet niemand wat, dat is wat ik eigenlijk telkens zie.

Ik heb zelf in een internationaal programma, the New Leaders Programme, gezeten en ben daar ook wel geschrokken van het feit dat in veel landen het ontbreken van diversiteit niet als probleem wordt ervaren. We kunnen gaan duwen, maar we moeten mensen gaan overtuigen van het belang. Waarom is het zo belangrijk? Dan doet het je wel pijn dat je met 30 jonge mensen in Europa anno 2020 bezig bent om na te denken hoe je gaat uitleggen dat het toch echt beter is om een divers bestuur en sportparticipatie te hebben.

Ik vind het wel shocking dat we in de sport zo achterlopen. Tegelijkertijd moet ik ook voorkomen dat ik het probleem te breed en groot maak en vooral kijk naar wat kan ik vanuit mijn rol en positie bijdragen, zonder dit meteen voor de hele wereld te willen doen.

Hoe pak je dit dan aan?

Ik ben zelf intern bij de KNGU het gesprek aangegaan en we hebben nu de gender-norm in de statuten opgenomen. Dat was best spannend, want er waren ook mensen die vonden dat het niet in de statuten vastgelegd moest worden. Gelukkig vonden het bestuur en bondsraad van wel.

De norm is er doorheen gekomen en dus moet 30% van een ander gender zijn. Ook wel grappig dat bij de volgende bestuursvacature wij er dus in moeten zetten dat bij gelijke geschiktheid onze voorkeur uitgaat naar een man. De bondsraad is nu ook 50/50. Hiervoor bestond de raad uit 19 mannen en 1 vrouw. 

Daarbij, en daar ben ik ook over in gesprek met NOC*NSF, moet er gekeken worden naar de minimale kwaliteitsnorm en eisen die er gesteld mogen worden aan bonden op dit vlak. Waardoor gaat het ook mis? Er zijn echt wel vrouwen die willen, maar er zijn, met name internationaal, zittingstermijnen van hier tot Sint-juttemis waardoor iedereen heel lang blijft zitten en er wordt op een manier geworven die heel erg in de inner circle zit.

Wij werven bijvoorbeeld heel bewust zowel binnen als buiten de (gym)sport. Dus zetten wij niet alleen vacatures uit op de Dutch Gymnastics website, want daar kijken mensen buiten de sport niet naar, maar zetten we veel breder in. We moeten kritisch kijken naar onze eigen systemen, de manier waarop we communiceren en werven en wat we uitstralen. Dan kun je daar doorheen breken en kun je dingen veranderen.

Wat kunnen wij vrouwen zelf nog meer doen?

Vooral het gesprek aan gaan en nadenken over hoe we elkaar kunnen helpen. Schoppen heeft geen nut. Je bent het aan je sekse verplicht om, als je zelf een stap hebt gezet, je ook in te zetten voor andere vrouwen en ze te helpen bij een volgende stap.

Ook ben ik actief betrokken bij Women Inc. Ik vind dat wanneer je een bepaalde positie hebt behaald je er ook weer voor andere vrouwen moet zijn. Zonder dat je een soort zuur vrouwenclubje wordt. Als we alleen maar klagen, daar heeft niemand iets aan. Dus je moet het zelf ook slim doen. Zelf de verbinding zoeken en nagaan wat je zelf kunt doen binnen je omgeving.

Maar ondanks dat ik vind dat we het ook zelf moeten doen, vind ik dat partijen als NOC*NSF hier ook echt mee aan de slag moeten en voorop moeten lopen. Anders gaat het allemaal nog wel heel lang duren.

Tot slot, waar kijk je het meest naar uit voor komend jaar?

Ik hoop echt bij de start van het wedstrijdseizoen weer wat leven te zien in de zalen. En ik hoop ook wel dat een gedeelte van de gymsport buiten blijft, de creativiteit die dat heeft losgemaakt, mogen we wat mij betreft vasthouden.

En natuurlijk kijk ik uit naar de Olympische Spelen volgend jaar zomer, als er publiek wordt toegestaan, dan vind ik dat wel heel bijzonder om voor het eerst vanuit deze rol mee te maken. Maar goed, ook daar ben ik secundair en gaat het om de sporters en hoop ik vooral dat zij daar kunnen shinen. Maar of ik daar dan nou bij ben of vanuit Nederland naar kijk, vanuit een Olympic Experience in Den Haag, het is allebei goed.